Symposium in Holocaustmuseum; boek ”Ondergang” sloeg in als een bom
Zestig jaar geleden sloeg het boek ”Ondergang” van de historicus Jacques Presser als een bom in de Nederlandse samenleving in. „Het bracht een grote slag toe aan het bestaande zelfingenomen beeld van Nederland tijdens de bezetting.”

Dat zei prof. dr. Frank van Vree vrijdagmiddag in het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam. Hij sprak tijdens een symposium ter gelegenheid van het feit dat ”Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945” zestig jaar geleden uitkwam. De goedbezochte bijeenkomst werd georganiseerd door het Menasseh ben Israel Instituut.
De Jood Jacques Presser (1899-1970) was in de Tweede Wereldoorlog onder andere ondergedoken in de omgeving van Lunteren. Hij overleefde de oorlog, maar zijn vrouw niet. Na de oorlog werd hij historicus, hoogleraar en schrijver. Hij is vooral bekend geworden door het boek ”Ondergang”, dat in 1965 uitkwam.
In 1950 kreeg hij van dr. L. de Jong van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, later NIOD) de opdracht om de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland te beschrijven. Het lukte Presser eerst niet. Pas na het schrijven van het boek ”De nacht der Girondijnen” verdween de blokkade in zijn hoofd en kon hij ”Ondergang”, dat uit twee dikke delen bestaat, schrijven. Het werd direct een bestseller.
Aanklacht
Van Vree zei dat Nederland na de verschijning geen reden meer had om zelfingenomen te zijn over het oorlogsverleden. „Na de publicatie van Pressers boek zou de nazistische massamoord geleidelijk maar onherroepelijk centraal komen te staan in het verhaal van de oorlog.”
De historicus zei dat Presser het als een heilige plicht beschouwde „de tolk te zijn van hen, die tot een eeuwig zwijgen gedoemd, alleen hier en nu, alleen deze ene keer, zich nog eens konden doen horen. Nog eenmaal op aarde moest hun klacht, hun aanklacht, weerklinken. Zij hadden niemand anders in deze wereld dan de geschiedschrijver die hun boodschap kon doorgeven.”
De oud-directeur van het NIOD vroeg zich af waaraan het succes van ”Ondergang” te danken was. Er waren minpunten, zei hij. Het boek was niet louter geschiedenis. Presser gebruikte geen bron- en literatuurverwijzingen en voerde zichzelf veelvuldig op. De schrijver negeerde de voorgeschiedenis van mei 1940, terwijl het systeem van de concentratie- en vernietigingskampen onderbelicht bleef.
Van Vree zei dat het geen gewone historische studie was, maar een boek met een eigen karakter. Dat komt niet alleen door de eigen opvattingen en emoties van de auteur, maar ook door het gebruik van gedichten en literaire citaten. De historicus wees ook op de vele details die ervoor zorgen dat er een beklemmende sfeer ontstaat. Presser gebruikte verder ironie en afstand „om niet ten onder te gaan”.

Juist die intense betrokkenheid van Presser bij de vervolgden, en dan vooral de meest weerlozen onder hen, is volgens Van Vree een belangrijke verklaring voor waarom zoveel lezers zich diep getroffen voelden.
Presser maakte, aldus Van Vree, inzichtelijk hoe de vervolging zich voltrok en waarom velen zich daarnaar voegden of zelfs meewerkten. „De schrijver liet er echter geen twijfel over bestaan dat onvoldoende kennis nooit een excuus kan zijn om de ontrechting en beroving van de Joden en hun uitstoting uit de samenleving te tolereren, laat staan daaraan mee te werken.”
Na een vraag uit de zaal wees de historicus erop dat er in Nederland na 1965 oorlogsmonumenten in de openbare ruimte kwamen, onder andere in Groningen en Rotterdam. Hij zei dat de schok in onze buurlanden ongeveer tien jaar later kwam.
Razernij
Schrijfster Jessica Durlacher noemde in haar bijdrage ”razernij” als grondtoon van het boek ”Ondergang”. „Presser wilde dat de lezers zich met de slachtoffers zouden vereenzelvigen. Hij wilde hen in het hart raken. De rangschikking van de feiten stond in dienst van zijn morele verontwaardiging. Hij schiep om zijn woede kracht bij te zetten. Daaraan voegde zijn eigen verhaal wat toe. Zijn doel was om emotie op te roepen en daarin is hij geslaagd als geen ander.”
Er kwam ook kritiek. Hans Goedkoop, historicus en televisiemaker, noemde het boek „briljant, maar dubbel”. Hij vindt dat Presser te ver ging met zijn kritiek op de Joodse Raad, het Joodse orgaan dat de maatregelen voor de Duitsers uitvoerde. „De sidderende taal overstemt soms de feiten. Over de Joodse Raad valt meer goeds te zeggen dan dat Presser doet.”
Goedkoop vestigde verder de aandacht op Friedrich Weinreb, een Jood met een omstreden oorlogsverleden voor wie Presser het in zijn boek opnam. „Het publiek liet zich meeslepen, maar Weinreb had meer op zijn kerfstok dan Presser dacht. Hij heeft de stukken over hem niet gezien.” Het betekent voor Goedkoop dat delen van ”Ondergang” nu voor hem minder goed te lezen zijn.
Diefstal
Tijdens het symposium werd de Hartog Beem Prijs uitgereikt aan Jesse Breet voor zijn scriptie ”Grootere diefstal bestond er dus niet. De roof van huisraden en het proces van Jodenvervolging in Nederland”. Breet, die werkt bij het Nationaal Archief, vertelde dat ”Ondergang” een van de basisboeken voor zijn studie was.

Zijn scriptie gaat over mensen die in Duitse opdracht de bezittingen uit tienduizenden door Joden bewoonde huizen in beslag namen. De bewoners waren op dat moment nog thuis, in afwachting van hun lot, of waren al gedeporteerd. „Door het op systematische en bureaucratische wijze ontnemen van hun persoonlijke spullen werden de Joden van hun laatste eigenwaarde en rechten beroofd”, aldus Breet.