Wekelijkse meditatie: Tot zonde gemaakt
Paulus begint in dit hoofdstuk over de hoop der zaligheid. „Wij weten”, schrijft hij „dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.”

Met verlangen ziet de gewezen farizeeër uit naar het uitwonen van het lichaam en het inwonen bij de Heere. Maar meer nog begeert Paulus om God „welbehaaglijk” te zijn. Om in die korte tijd die nog rest op aarde en straks in het eeuwige leven de Heere te behagen. Achter de dood ligt het oordeel en de rechterstoel van Christus. O, die ontzaglijke Godsontmoeting kan de ziel weleens benauwen. Wat zal het toch zijn, mijn onbekeerde medereiziger, om daar te moeten verschijnen. Niets kunnen we verbergen voor een hart doorzoekend God. Hoe zul je het straks toch maken?
Wat kan het ook de ziel benauwen na ontvangen genade. Want waarmee zullen wij voor God verschijnen? Als alles tegen ons getuigt en er niets is waarin we kunnen rusten.
Dan mag de apostel in het vervolg van dit hoofdstuk gaan heenwijzen naar de grond van zijn behoud. Naar de Borg en Zaligmaker van zondaren, Die met recht de Zondenvernieler genoemd wordt. Het slot van dit hoofdstuk klinkt als een overwinningsmare: „Want Die Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.” De Heere Jezus Christus heeft Zich voor de zonde gegeven. Het handschrift der zonde, dat tegen ons was, heeft Hij overgenomen van Zijn volk en Sion. Het was volstrekt nodig dat de zondaar in eigen persoon zou betalen of dat er een Ander gevonden zou worden. Jezus werd Plaatsbekleder. Hij stond vrijwillig in de plaats van de zondaar en droeg in Zijn heilig lichaam en heilige ziel de straf die de zondaar verdiend had.
Volkomen betaald, volkomen bedekt, volkomen verzoend
Door het storten van Zijn kostbare bloed opende Hij een fontein tegen de zonde en tegen de onreinheid. Het kruis van Golgotha was de plaats waar dit Offer gebracht werd. Zoals oudtestamentisch het bloed van een lam werd gestort aan de voet van het altaar en het dier verbrand in het vuur van Gods recht, zo werd Christus’ bloed vergoten en hing Hij –om de toorn van God zichtbaar te maken– aan het vloekhout der schande. Daar is de schuld van de bruidskerk door de Bloedbruidegom weggedaan. Volkomen betaald, volkomen bedekt, volkomen verzoend. Dit is het grote geheim van Jezus’ verlossende liefde en Zijn verzoenend bloed. Hier ontmoeten een vertoornd God en een verloren zondaar elkaar in de offerande van Jezus. In Hem is de bruidskerk rechtvaardig voor God. Het wonder is zo groot als er naar eigen waarneming van ons bestaan niets overblijft dan zonde en schuld. Maar als die wonderlijke ruil daar mag zijn: Christus mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid. Daar past de rijke zangstof van Psalm 85:4:
Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van ’t recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van ’s hemels boog;
Dan zal de HEER’ ons ’t goede weer doen zien;
Dan zal ons ’t land zijn volle garven biên;
Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht;
Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.