Kerken, pas op bij meldingen misbruik. „Voor je het weet komt de doofpot om de hoek kijken”
Ga als kerkenraad bij een melding van misbruik niet zelf alles oplossen of de zaak in de doofpot stoppen, adviseren woordvoerders van twee kerkelijke meldpunten. Ze zien dat kerkenraadsleden vaker contact met hen opnemen om advies te vragen. „Openheid is nodig om patronen te doorbreken.”

„Wij zijn hier niet voor opgeleid, kunnen jullie ons advies geven over de juiste begeleiding van dader en slachtoffer?” vroeg een kerkenraadslid onlangs aan Arie Hak, voorzitter van het Meldpunt Reformatorische Kerken. Het meldpunt is in 2021 opgericht op initiatief van de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
Hak was blij met de vraag van de ambtsdrager. Want hoe vanzelfsprekend deze ook lijkt, in de praktijk merkt hij nog regelmatig dat kerkenraden in een bepaalde dynamiek belanden als er sprake is van seksueel misbruik in de gemeente. Een kwestie wordt in de doofpot gestopt, zeker als het om een ambtsbroeder gaat. Aangifte doen? Nee, dat zorgt alleen maar voor onrust bij de familie en in de gemeente. Het slachtoffer moet snel in gesprek met de beschuldigde, zodat er vergeving kan plaatsvinden. En in de gemeente mag het al helemaal geen grote ophef veroorzaken.
De patronen zijn er. Gelukkig ziet de voorzitter van het meldpunt ook steeds vaker dat ambtsdragers zich bewust zijn van hun eigen handelingsverlegenheid en om hulp vragen. Ze leggen de focus op het pastoraat, laten de strafrechtelijke kant over aan de politie en vragen waar het slachtoffer behoefte aan heeft. „Maar we zijn er nog niet”, zegt Hak, die zelf ambtsdrager is in de gereformeerde gemeente van Alblasserdam. „Er komen in het algemeen de laatste jaren veel zaken boven water van dingen die in het verleden mis zijn gegaan. Dat heeft een sneeuwbaleffect: als mensen zien dat één persoon de moed heeft zijn of haar verhaal te vertellen, komen ze zelf ook naar buiten met hun ervaringen. Die openheid is nodig om de patronen te doorbreken. Juist door die verhalen zie je dat mensen, kerkenraden en predikanten ons vaker inschakelen. Die doofpotcultuur in de kerk wordt langzaam opengebroken, maar het heeft nog meer tijd nodig. Het kost jaren voordat bij iedereen de knop om is.”
Recht om gehoord te worden
Ook Marianne Bronsveld, coördinator van het Meldpunt Seksueel Misbruik in Kerkelijke Relaties, ziet een toename van het aantal hulpvragen. Het meldpunt –in 1998 opgericht– waar zij voor werkt, is onder andere bedoeld voor de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Hersteld Hervormde Kerk. Ze merkt dat ambtsdragers niet altijd goed weten wat ze met een melding van misbruik moeten. „Op zich is dat begrijpelijk. Zo vaak krijgen ze niet met zo’n situatie te maken. Juist daarom is om advies vragen belangrijk. Wij merken nog wel eens dat mensen bang zijn dat hun kerk een naam krijgt als ze ons bellen, zo van: daar gaat het mis. Maar misbruik kan overal plaatsvinden, dat betekent niet dat de kerk zelf er slecht op staat. Bovendien moet je zorg in de eerste plaats naar het slachtoffer uitgaan.”
Bronsveld adviseert kerkenraden om met zowel de melder als de beschuldigde het gesprek aan te gaan, onafhankelijk van elkaar. „Luister eerst naar degene die de melding doet en ga dan met de andere kant in gesprek. Blijf weg van oordelen, en ga nog geen conclusies trekken. Eerst heeft iedereen het recht om gehoord te worden, zoals het protocol van de kerk voorschrijft. Dat legt stapsgewijs uit wat je moet doen als de dader bekent of ontkent, enzovoort.”

Wat ambtsdragers nooit moeten doen, is zelf actief bewijzen gaan verzamelen of zich mengen in het politieonderzoek als er aangifte is gedaan. „Dan is het tijd om een stap terug te doen en te focussen op het pastoraat”, zegt Arie Hak van het Meldpunt Reformatorische Kerken. „Als er vervolgens een strafproces komt of een veroordeling, kan de kerk daarnaar handelen door bijvoorbeeld tucht toe te passen of, als daar sprake van is, iemand uit zijn ambt te ontheffen .”
Hak maakt ook mee dat een slachtoffer geen aangifte doet bij de politie, maar wel een klacht wil indienen tegen een ambtsdrager bij de klachtencommissie van de kerk. Die doet onafhankelijk onderzoek en brengt het rapport bij de kerkenraad ter overweging. „De ambtsdrager die is beschuldigd, kan niet aanwezig zijn bij het overleg. Je moet open met elkaar kunnen spreken over de situatie buiten aanwezigheid van de betreffende broeder. En als er aanwijzingen zijn dat de beschuldigingen kloppen, moet een kerkenraad actie ondernemen door iemand te schorsen zolang het onderzoek loopt. Een schorsing is geen veroordeling, maar een ordemaatregel om te voorkomen dat Gods gemeente mogelijk belast wordt.”
Pas op voor de doofpot
Dat een kerkenraad erg schrikt van een melding rond misbruik, is logisch. Zeker als de beschuldigde iemand is met veel aanzien in de gemeente. „Die schok kan er alleen al voor zorgen dat een kerkenraad wordt lamgeslagen of gaat denken: wij lossen dit zelf op, niemand hoeft dit verder te weten”, zegt Bronsveld. „En dat is een gevaarlijke reflex. Voor je het weet komt de doofpot om de hoek kijken.”
Ook Hak waarschuwt voor deze reflex. Hij erkent dat reformatorische christenen van nature soms de neiging hebben om zo’n verhaal binnen het gezin of binnen de gemeente te houden. „Zeker als het om een ambtsbroeder gaat, of een predikant. De gedachte is dan: we zijn allemaal zondaars, iedereen maakt fouten, dus je moet daar maar met liefde mee omgaan en elkaar snel vergeven. Ik zeg het wat zwart-wit, maar hier komt het wel op neer.”
Wat ook regelmatig misgaat, is het –al dan niet onbewust– veroordelen van een slachtoffer. Bronsveld noemt als voorbeeld dat mensen vragen gaan stellen als: heb je zelf nooit een grens aangegeven? Of: waarom heb je het niet eerder bespreekbaar gemaakt? „Zo’n vraag legt de schuld al snel weer bij het slachtoffer. Die denkt dan: ze geloven me niet, het ligt aan mij.”
Voor de meeste mensen geldt dat ze de beslissing om misbruik te melden niet gemakkelijk nemen. Ze hebben zelf al eindeloos gepiekerd voor ze die stap maken, zegt de coördinator. „Het kost ze veel. En ze weten ook dat het ze in potentie nog meer kan kosten, want het nieuws heeft impact op het gezin en de hele omgeving.” Daarom kan een opmerking als „De persoon die jij beschuldigt, heeft ook een gezin, heb je daar weleens over nagedacht?” veel kapot maken, waarschuwt ze. „Wie is verantwoordelijk voor het gebeurde? De dader, niet het slachtoffer.”
Vergeving kan alleen na schuldbelijdenis
Arie Hak ziet dat kerkenraden na een veroordeling soms snel een gesprek organiseren tussen dader en slachtoffer, waarbij er wordt benadrukt dat vergeving belangrijk is. Die neiging begrijpt hij wel. „De Bijbelse lijn is dat Christus zondaren vergeeft. En als je je eigen hart kent, ben je ook geneigd een andere zondaar snel te vergeven.” Maar, zo zegt hij er meteen achteraan, er gaat iets aan vergeving vooraf. „Er moet eerst iets rechtgezet worden. En dáár zie ik het vaak verkeerd gaan. Vergeving kan alleen door een weg van ware verootmoediging en schuld belijden. Pas na een oprechte schuldbelijdenis is de grond voor vergeving gecreëerd. Slachtoffers zoeken naar erkenning van wat er fout gegaan is, en herstel van de relatie in de rechte weg.”

In de kerkelijke gemeente kan nieuws rond een misbruikzaak voor veel ophef zorgen. Volgens Bronsveld ontstaan er soms twee kampen in een kerk. „Zwart-wit gezegd: een groep mensen gaat achter het slachtoffer staan, een groep achter de dader en er is een grote middengroep die het niet weet. De twee kampen proberen die mensen uit het midden in hun eigen groep te krijgen, maar dat betekent dat er een scheur ontstaat in de kerk. Als kerkenraad moet je daarvoor waken.”
Beide meldpunten hebben een kaartenbak met gemeentebegeleiders die een kerk kunnen helpen om goed te communiceren naar de gemeente toe. Hak: „Zeker als het een wat grotere zaak is die veel deining geeft, adviseren wij de hulp van een gemeentebegeleider. Kijk, de juiste communicatie ligt heel nauw. Zeker als een onderzoek nog loopt en er nog niets duidelijk is, moet je terughoudend zijn. Maar tegelijk wel melden dat er een kwestie speelt die nader wordt onderzocht. Probeer de rust te bewaren en zorg ervoor dat mensen niet al te veel onderling gaan praten.”
Gemeente liefhebben
Zowel Hak als Bronsveld merkt dat de rol van het meldpunt soms gevoelig ligt. Hak: „In dit werk maak je niet altijd vrienden, zeker niet als je mensen erop wijst dat ze een zaak onterecht onder de pet proberen te houden. Als we daar doorheen prikken, doet dat soms even pijn. Maar dat is onze taak.”
Bronsveld: „Ik denk dat ambtsdragers niet altijd de verkeerde bedoelingen hebben als hun eerste reflex is om een zaak onder het tapijt te schuiven. Ze kennen hun gemeente, hebben deze over het algemeen lief, en dat maakt dat een kwestie dicht bij hun hart komt. Tegelijk heb je dan echt iemand van buiten nodig die kan zeggen: Wat hier gebeurt, heeft op lange termijn grote negatieve gevolgen. Voor het slachtoffer en voor de gemeente.”
Hoe kan een kerkenraad ervoor zorgen dat ze voorbereid zijn op het moment dat er een melding van misbruik naar boven komt in de gemeente? Hak zou willen dat elke gemeente, ook de vrije gemeenten die buiten een kerkverband vallen, zich zou aansluiten bij een meldpunt. „Ik denk dat naarmate een kerk wat meer besloten is, een kleine kerkenraad heeft of waar één identificatiefiguur is die een grote rol heeft, de risico’s voor een doofpotcultuur het grootst zijn. Daar maak ik me zorgen over. Het zou mooi zijn als die gemeenten zich ook ergens aansluiten.”
Bronsveld adviseert kerkenraden preventief te werk te gaan en een lijstje paraat te hebben met informatie over de juiste protocollen, meldpunten, deskundigen en vertrouwenspersonen. „Dan weet je waar je terechtkunt, mocht er ooit een melding komen. Als die informatie al beschikbaar is, voorkomt dat paniekreacties en is de kans groter dat er zuiver wordt gehandeld.”