Wat vinden Christian en Yu-Lianne van hun adoptie? „Welcome home, zei mijn moeder en ik dacht: ja, dit is thuis”
De een sloot zijn biologische moeder een maand geleden voor het eerst in de armen. De ander is bang dat zo’n ontmoeting haar leven totaal overhoop gooit. Twee adoptiejongeren over de zoektocht naar zichzelf, het verleden en hun thuis.

Christian Maljaars (20), geadopteerd uit de Filipijnen toen hij twee jaar oud was

„Mijn Filipijnse moeder was 13 jaar toen ze mij kreeg. Ze was op de vlucht voor mijn vader en had weinig geld. Een tehuis bood haar onderdak. Daar hebben we twee jaar gewoond. Voor ons samen was daar geen toekomst.
Christian is de naam die mijn Filipijnse moeder me gaf. Die naam betekent ”volgeling van Christus”. Ze hoopte dat ik dat waar zou maken in mijn leven. Toevallig is het ook nog eens een Nederlandse naam.
In Nederland kwam ik terecht in een gezin waar al twee adoptiekinderen waren. Mijn Nederlandse broer en zus komen ook uit de Filipijnen, maar wel uit een heel ander gedeelte. De afstand van mijn geboorteplaats naar die van mijn broer is even ver als van hier naar Italië.
Mijn zus was niet altijd blij met haar adoptie. Dat heeft ons gezin en ook mijn jeugd gestempeld. Ze kwam soms in de problemen. Daar wil ik liever niet te veel over zeggen. Later heeft ze hulp gezocht, wat ik erg dapper van haar vind. We hebben een bijzondere band. Ze is mijn grote zus en ik haar kleine broertje. Gelukkig gaat het nu goed met haar.
Mijn ouders zijn altijd heel open over mijn adoptie geweest. Ik was nog maar klein toen mijn adoptiemoeder me liet zien welke spulletjes ik uit de Filipijnen had meegenomen. Slippertjes, een knuffeltje en het dekentje waaronder ik altijd sliep. Ook vertelde ze me wat voor soort vrouw mijn biologische moeder was. Een foto van haar stond altijd op mijn kamer. Ik wist: ik heb hier een moeder en daar een moeder. Dat voelde eigenlijk heel vertrouwd.
Alleen maar huilen
Toen ik in de puberteit kwam, ging ik veel nadenken over mijn adoptie. Op de middelbare school moet je opboksen tegen andere jongens. Soms riepen ze: „Rot op naar je eigen land” of „Ga naar je moeder toe”. Ik heb daar wel mee gestruggeld. Een paar keer heb ik gevochten. Als ze zeiden dat ik klein was of een kleurtje had, deed me dat niet veel. Maar als ze over mijn moeder begonnen, vond ik dat moeilijk. Ik had haar nog nooit ontmoet.
Vier weken terug is dat wel gebeurd. We zijn met ons hele gezin op rootsreis naar de Filipijnen geweest en hebben alle drie onze biologische families ontmoet. Mijn moeder stond ons op het vliegveld op te wachten met een spandoek met een kinderfoto van mij erop. Ik heb mijn koffer bij de bagageband laten staan en ben naar haar toegerend. In je achterhoofd besef je dat het je moeder is, tegelijkertijd is het een wildvreemde. Toen we elkaar in de armen sloten en goed naar elkaar keken, zagen we dat we heel veel op elkaar lijken. Dan kun je alleen maar huilen.
„Welcome home”, zei ze tegen me. En zo voelde het ook echt. Als je opgroeit in Nederland weet je niet beter. Maar toen ik daar kwam, ervoer ik: dit is mijn thuis. Dat voelde ik ook aan het klimaat. Voor mijn Nederlandse ouders was het zweten geblazen. Voor mij voelde die warmte heel natuurlijk. Ook was ik daar eindelijk een keer geen uitzondering. Iedereen zag eruit zoals ik. Mijn adoptieouders vielen daar juist op.
Mijn biologische moeder zei dat ik bij haar mocht blijven. Ik ben haar eerste zoon en het liefst zou ze mij bij haar houden. Maar het is niet realistisch om daar te gaan wonen. Het is zo’n andere wereld. Ik ben tevreden met mijn leven hier in Nederland. Het afscheid was heftig en emotioneel.
Ik heb in die week ook mijn vriendin ten huwelijk gevraagd. Op een strand niet ver van mijn geboorteplaats. Mijn biologische moeder had de plek voor me uitgezocht. Ze was er ook bij toen ik Willemijn vroeg. Zo hebben we onze eerste gedeelde herinnering. Nu appen we soms met elkaar. Ik moet het allemaal nog een plekje geven.
Dankzij mijn adoptieouders sta ik sterk in mijn schoenen. Daar ben ik ze dankbaar voor. Ook ben ik blij dat we samen zo’n bijzondere reis hebben gemaakt. Ik heb in de Filipijnen gezien wat voor jeugd ik ook had kunnen hebben. Toen ik mijn biologische moeder ontmoette, vertelde ze me hoe moeilijk ze het vond om mij af te staan. Maar ik kon haar vertellen dat ze de goede keuze heeft gemaakt.”
Yu-Lianne de Jong (25), geadopteerd uit Taiwan toen ze negen maanden oud was

„Op de basisschool kregen we eens de opdracht om een familiestamboom te tekenen. „Lijk je op je vader of je moeder”, vroegen mijn klasgenoten aan elkaar, maar niet aan mij. Later moesten we een keer ons geboortekaartje meenemen naar school. Dat had ik niet. Ik was anders. Van mij was er alleen een aankomstkaartje.
Ik was nogal een gesloten kind. Na zo’n voorval trok ik me ‘s middags terug op mijn kamer. Mijn ouders merkten dat. Ik kreeg gesprekken met een hulpverlener op school. Daarna heb ik mijn spreekbeurt over Taiwan gehouden. Toen was het voor iedereen duidelijk. Niet dat het daarvoor een geheim was, maar het was uitgesproken.
Als puber was ik makkelijk. Natuurlijk voelde ik me net als elke jongere onzeker over mijn gedrag en uiterlijk. Maar ik ging in die periode niet opeens meer nadenken over mijn roots. Van mijn biologische moeder stond een foto op mijn kamer. Die staat er nog steeds. Elk half jaar schreef ik haar hoe het met me ging. Dat was verplicht vanuit de adoptieorganisatie. Ze mocht me niet terugschrijven en ik mocht niet vermelden wat mijn nieuwe naam was en waar ik woonde.
Ze kon mijn brieven ophalen bij een kantoor bij haar in de buurt. Later hoorde ik via een tussenpersoon dat ze dat altijd heeft gedaan. Dat deed me toch goed. Er is iemand met een bloedband die om je geeft. Maar toen ik 18 werd, ben ik gestopt met het sturen van brieven. Het was niet meer verplicht. Misschien is dat mijn laksheid?
Ik heb mijn adoptie altijd als iets moois ervaren. Mijn biologische moeder kreeg mij toen ze 17 jaar was. Ze was te jong en kon niet voor me zorgen. Voor haar keuze heb ik veel respect. Ze had me ook te vondeling kunnen leggen of voor een abortus kunnen kiezen.
Negen maanden oud was ik, toen ik bij mijn adoptieouders terechtkwam. Van Yu-Ping werd ik Yu-Lianne, vernoemd naar mijn Nederlandse oma. Soms zeggen mensen: „Wat praat jij vloeiend Nederlands.” Het is mijn moedertaal, denk ik dan.
Acceptabele vraagtekens
Ik voel me 100 procent Nederlands en heb totaal geen band met Taiwan. Ik ben wel nieuwsgierig hoe het daar is. Misschien ga ik er wel een keer naartoe op vakantie. Maar mijn biologische familie ontmoeten? Nee, daar heb ik geen behoefte aan.
Mijn leven is op orde. Mijn adoptieouders voelen echt als mijn eigen familie. Ik mis niks. Er is geen leegte en er zijn geen losse eindjes. Natuurlijk heb ik wel vragen. Hoe ziet mijn moeder er nu uit? In wat voor wereld leeft ze? Hoe zou het zijn als ik daar was opgegroeid? Maar ik heb geen verlangen om die vragen beantwoord te hebben. Het zijn acceptabele vraagtekens.
Wat haal ik allemaal overhoop als ik op rootsreis ga en mijn biologische familie ontmoet? Wat doe ik mezelf en hun aan als ik zeg: Hallo, hier ben ik? Mijn moeder is doorgegaan met haar leven daar, ik met het mijne hier. Van onze gedeelde geschiedenis weet ik af. Maar onze levens staan nu los van elkaar. Is het het waard om die weer met elkaar te vervlechten?
Misschien steek ik inderdaad mijn kop wel in het zand en stel ik die moeilijke beslissing alleen maar uit. Maar ik hecht aan zekerheid en controle. Juist omdat ik geadopteerd ben, denk ik. Toen ik een baby was, werd ik weggerukt van mijn biologische moeder. Er gebeurde iets heel groots waar ik totaal geen controle over had.
De geadopteerden die ik spreek, herkennen die controledrang. Ze staan altijd aan en houden graag het overzicht. In groepen weet ik in no time hoe iedereen zich voelt. Ik lees mensen en peil de sfeer. Onbewust heeft dat denk ik met mijn adoptieachtergrond te maken. Ik ben bang om teleurgesteld te worden. Door controle te houden ben ik de pijn voor. Daarom houd ik mijn inner circle ook klein. Achter mijn muur is niet iedereen welkom.
Met afscheid nemen heb ik moeite. Als ik met vriendinnen een weekend weg ga, kan ik me er op zaterdag al druk over maken dat we op maandag afscheid moeten nemen. Dat hoort gewoon bij mij. Ik heb hier last van, een ander van iets anders. Ik sta nuchter in het leven. Maar nu ik er zo over spreek, denk ik: heb ik de gevolgen van mijn adoptie de afgelopen jaren niet een beetje afgevlakt?
Die hele adoptiediscussie volg ik niet zo. Eerlijk gezegd heb ik geen idee wat er precies speelt. Ik ben niet diegene die kinderloos is of al jaren op een wachtlijst staat. Dat zijn de ouders. Daarbij komt dat ik juist heel blij ben dat ik geadopteerd ben. Wat ik wel mooi vind, is dat mijn Nederlandse ouders na mijn adoptie gestart zijn met crisispleegzorg. In Nederland is nog werk genoeg aan de winkel.”