Bronzen Luther onder een palmboom in Peru; zo snel groeit het protestantisme
Het protestantisme in Peru zit in de lift, al is de Rooms-Katholieke Kerk nog lang niet uit het straatbeeld verdwenen. Toch zijn soms twee cijfers –3 en 16– voldoende om een evangelicaal te herkennen.

Dr. Tomás Gutiérrez moest de burgemeester van Lima wel even uitleggen wie Maarten Luther was toen hij voorstelde om de reformator toe te voegen aan de reeks bronzen borstbeelden van presidenten en generaals in het Parque de la Exposición. Maar het standbeeld kwam er, in 2017, op de 500e verjaardag van de Reformatie. Dus kijkt een bronzen Luther, met een Bijbel in de hand, van onder een palmboom uit over het groene park in de Peruaanse hoofdstad. Wet 30678 regelde meteen dat ieder jaar 31 oktober wordt gevierd als Nationale Dag van de Evangelische Christelijke Kerken in Peru, ter herdenking van het begin van de Reformatie.
Het laat zien dat het protestantisme niet meer weg te denken is uit Peru, ook niet uit het straatbeeld. De afgelopen veertig jaar steeg het aandeel protestanten van net iets meer dan 0,1 procent tot zo’n 16 procent nu. Dat betekent dat van de ruim 34 miljoen Peruanen er ruim 5 miljoen in de protestantse traditie staan – van gereformeerd tot charismatisch.

Tegelijk is het rooms-katholicisme overal zichtbaar. Barokke kathedralen domineren de pleinen, in de armste wijken zijn wankele katholieke kerkjes met golfplaten daken gebouwd. In de zilvergrijze Toyota Corolla van taxichauffeur Jose hangt een zilveren kruisje aan de achteruitkijkspiegel. „Ik ben katholiek van geboorte”, zegt hij tijdens een rit door de wijk Pueblo Libre. „Naar de kerk ga ik niet meer, maar ik geloof wel in God en probeer een goed mens te zijn.” Een protestantse Peruaan heeft Jose nog nooit ontmoet.
Beelden en Bijbelteksten
Toch wordt de kans daarop steeds groter. Het protestantisme in Peru zit in de lift, ziet ook dr. Gutiérrez (63). De theoloog en socioloog, lid van een baptistengemeente, doet al tientallen jaren onderzoek naar de Latijns-Amerikaanse kerkgeschiedenis. In zijn studeerkamer, een klein huisje op het platte dak boven zijn appartement in Lima, laat hij een zwarte Bijbel zien. In de Reina Valera-vertaling uit 1960, zeg maar de Statenvertaling onder de Spaanse Bijbeluitgaven. „Onze identiteit ligt in het Woord”, zegt hij. „Dat is één. En twee: die ligt ook in de leer van de Reformatie en het Engelse piëtisme. Luther, Calvijn en Wesley. Rooms-katholieken hebben beelden, wij Bijbelteksten.”

Zo netjes afgebakend ligt dat niet altijd, maar feit is wel dat veel protestantse kerkgebouwen in Peru een Bijbeltekst op hun gevel hebben aangebracht. Zoals die van de blauwgeschilderde presbyteriaanse kerk in de wijk van taxichauffeur Jose, waarop in zilveren letters de woorden ”Jezus is de Heere” zijn aangebracht. Op zondagen staan de kerkdeuren, over de volle breedte van het pand, uitnodigend open en dwarrelen klanken van psalmen zomaar over straat.
Ook getallen verkondigen een boodschap, vervolgt Gutiérrez. „Als je 3 en 16 zegt, denken evangelicale christenen meteen aan Johannes 3:16. En bij 3 en 23 aan Romeinen 3:23: „Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.””
Bekering
Zelf ontdekte Gutiérrez de betekenis van zulke Bijbelteksten op een „baptistenkamp” in 1976. Veertien jaar oud was hij, en rooms-katholiek opgevoed. „Daar hoorde ik voor het eerst over Christus, de enige Redder, en dat er bekering nodig is. Ik kwam tot geloof, uit genade.”

Zijn verhaal komt overeen met dat van tal van jonge Peruanen. In dat jaar waren er 170.000 evangelicalen in het land; de volkstelling van 2017 noteerde er al meer dan 4 miljoen. De oorzaken van deze groei, die nog altijd doorzet, ziet Gutiérrez in de uitbreiding van zendingswerk naar andere delen van het land, de verbeterde economische situatie van de bevolking en de rol van vrouwen in de kerk. „Er wordt geschat dat 70 procent van het werk in de kerk en op het gebied van evangelisatie door vrouwen wordt gedaan.” Zijn eigen kerk kent overigens geen vrouwelijke voorgangers.
Daarnaast is het niet nodig om een theologische vooropleiding te hebben om pastor te worden. „Het is genoeg om het verlángen te hebben om voorganger te zijn.” De keerzijde daarvan is, zegt Gutiérrez, dat lang niet alle predikanten voldoende theologisch zijn toegerust. De meesten hebben, naast hun werk als voorganger, een betaalde baan.

Trump
De Rooms-Katholieke Kerk heeft nog altijd een streepje voor bij de overheid, ziet Gutiérrez. „Ze krijgt belastingvoordelen en geld om monumentale kerkgebouwen te onderhouden.”
Een ander protestants probleem is de opleiding van predikanten. „Op dit moment hebben we geen door de staat erkende evangelicale seminaries of theologische instituten. De enige twee universiteiten in Peru kregen geen licentie, waardoor onderwijsprogramma’s niet konden doorgaan.”
Toch denkt Gutiérrez dat de Peruaanse overheid en de evangelicale kerken elkaar kunnen versterken. „De overheid heeft geld, de kerk heeft arbeiders. Soms werken we al samen. De Amerikaanse president Donald Trump heeft een groep Peruanen uit de Verenigde Staten teruggestuurd naar ons land. Ze hadden niets, konden nergens heen, omdat hun familie daar nog woont. Het ministerie van Sociale Zaken vroeg de Eerste Baptistenkerk van Lima om twintig mensen op te vangen – en dat is gebeurd.”
De baptistenkerk in Lima vangt twintig door president Trump uitgezette Peruanen op
De protestantse kerken, die onderling verdeeld zijn, moeten volgens Gutiérrez gezamenlijk hun „profetische stem” laten horen. „Corruptie beïnvloedt het hele staatsapparaat en de stem van de kerk wordt onvoldoende gehoord.
Tegelijk moeten we onze jonge generatie christenen voorbereiden op de toekomst, zodat ze als rechter, arts of docent hun plek in de samenleving innemen en de kerk kunnen leiden. Wat dat betreft ben ik hoopvol voor de toekomst. Ik wil blijven bidden, werken, schrijven en publiceren om het lichaam van Christus in Peru op te bouwen.”