OpinieCommentaar
RD-onderzoek plaatst kerk voor vraag naar verbinding met jeugd én reformatorische traditie
Het RD-onderzoek naar de leespreek geeft reformatorische kerken stof tot grondige bezinning. Verbinding met de jeugd, maar ook met de gereformeerde traditie, moet onderwerp van gesprek zijn.
Hoofdredactie

Het lijkt een klein onderwerp voor een groot onderzoek: de leespreek. Maar toch, twee op de drie lezers die de RD-enquête voor het onderzoek invulden, horen minstens een of twee keer per maand een leespreek. Bijna een kwart van de respondenten hoort die vijf keer of vaker. Uit de vele open reacties die lezers in de enquête achterlieten, blijkt dat het onderwerp leeft.
RD onderzocht 118.000 leespreken: over oudvaders, begrip door kinderen en 4000 preken over Lukas 2
Reden genoeg om eens grondig na te denken over de leespreek. Een eerste punt van reflectie is dát er leesdiensten zijn. Kerkgangers kunnen daaronder een zegen ervaren, maar ze blijven een noodoplossing voor het predikantentekort. Dat mag niet wennen.
Een ander punt van aandacht betreft de jongeren. Verschillende RD-lezers merkten op dat sommige leespreken (vooral) voor hun kinderen te moeilijk zijn. Hier dreigt dus een verstaanskloof. Niet elke zin hoeft door ieder kind gesnapt te worden, maar het is wel nodig dat kerkenraden zich bezinnen op de begrijpelijkheid van hun leespreken.
Een tweede kloof waarvoor gewaakt moet worden, is die tussen reformatorische kerken en de rijke traditie waarin zij staan: die van Reformatie, Nadere Reformatie en puritanisme. In veel gemeenten is het voorlezen van ”oude schrijvers” de laatste decennia, vooral tussen 2000 en 2010, achteruitgehold. Niet verrassend, wel opmerkelijk. De ”leespreekkerken” wortelen immers in de Afscheiding, die nadrukkelijk aandacht vroeg voor het oude goud.
Ongetwijfeld zijn er verklaringen voor de tanende belangstelling voor oudvaders in de leesdienst. De genoemde verstaanskloof bijvoorbeeld: vanwege de jeugd kiezen voorlezers vaker voor het taalkleed en de actualiteit van hedendaagse preken.
Een andere verklaring is dat het aanbod van hedendaagse leespreken in afgescheiden kring blijft groeien, ook online. Werk aan de winkel dus voor kerken en uitgevers om, meer dan al gebeurt, oude schrijvers in een betrouwbare en bruikbare hertaling op de markt te brengen.
Dat (jonge) kerkgangers oude schrijvers minder graag horen, lijkt in elk geval niet altijd juist. In die kerken waar vaak leesdienst is en veel oude schrijvers klinken, waarderen luisteraars de leesdienst het positiefst. Opvallend is dat verschillende lezers verschil horen tussen hedendaagse preken en de „rijkdom” van oude schrijvers. Dat geluid klonk in de enquête net zo veel vanuit de jonge generatie als vanuit de oude.
Dit betekent niet dat oudvaders per se weer in kerkdiensten moeten klinken om de verbondenheid met vroeger eeuwen gestalte te geven. Wél stelt de uitkomst van het RD-onderzoek reformatorische kerken de indringende vraag of ze nog in lijn staan met de rijkdom en het geestelijk inzicht van de (Nadere) Reformatie. En hoe ze de schatten van gisteren vandaag overdragen aan de kerk van morgen.