Alle witte mensen zijn racistisch
De Amerikaanse socioloog Robin DiAngelo ontpopt zich in haar boek ”Witte gevoeligheid” als een seculiere dominee die geduldig en vasthoudend elke uitvlucht van haar lezers onderuithaalt, totdat de zonde van het racisme is ontmaskerd. Maar wat dan?

Toen hoogleraar Herman Philipse, bekend van onder meer het ”Atheïstisch manifest”, jaren geleden een lezing moest geven voor een christelijke studentenvereniging, keek hij vooraf licht geamuseerd de zaal in. Hij informeerde of de aanwezigen soms van zelfkastijding hielden. Waarom zouden christenen een uitgesproken atheïst uitnodigen om uiteen te zetten wat er niet deugt aan hun heiligste overtuigingen?
Eenzelfde soort vraag laat zich stellen aan blanke lezers van het boek ”White Fragility” (Witte gevoeligheid) van Robin DiAngelo. Waarom onderwerpen zij zich vrijwillig 200 pagina’s lang aan de aanklacht dat ze racistisch zijn?
Want dat is wat DiAngelo betoogt. „Alle witte mensen zijn onderdeel van het racisme en zijn er medeplichtig aan”, noteert ze op pagina 166. En helaas, het gaat volgens haar niet om incidenten. Op pagina 177: „Racisme is de regel, niet de afwijking.” Het zijn aanklachten waarmee de lezer tegen die tijd allang vertrouwd is: ze vormen de grondtoon van het boek.
Er is in haar boek geen ontkomen aan deze diagnose. Tegenwerpingen als: „Ik zie geen kleuren, ik zie mensen” of: „Ik heb geleerd dat ik iedereen gelijk moet behandelen” bewijzen niets voor DiAngelo. Ze schoffelt geduldig elke uitvlucht onderuit, totdat het racisme blootligt.
Genoeglijk wordt het nergens bij DiAngelo. Toch gingen er sinds de verschijning van haar boek al ruim 800.000 exemplaren van over de toonbank. Sinds deze maand is ook een Nederlandse editie beschikbaar.
Lange tenen
Het succes heeft natuurlijk alles te maken met de protesten van de afgelopen maanden tegen institutioneel racisme en politiegeweld. In de Verenigde Staten is DiAngelo’s ”White Fragility” niet het enige antiracismeboek dat goed scoort. Titels als ”How to Be An Anti-Racist” van Ibrahim X Kendi gaan eveneens als zoete broodjes over de toonbank. De verkoop van anti-racismeboeken steeg na de gewelddadige dood van George Floyd op 25 mei met 6800 procent.
Geen boek in het genre doet het echter zo goed als dat van DiAngelo. Ook vóór 25 mei verliep de verkoop van ”White Fragility” al meer dan uitstekend. De socioloog heeft als ”diversiteitstrainer” bovendien geen gebrek aan opdrachten. The New York Times Magazine schreef half juni: „Hoe prominent DiAngelo al was, na de dood van Floyd is ze een fenomeen geworden.”
DiAngelo’s grote bereik maakt de inhoud van haar werk op voorhand belangrijk. Het roept tegelijk de vraag op wat haar werk zo uniek maakt.
Voor een deel volgt DiAngelo in haar boek bekende patronen. Ze neemt haar vertrekpunt in de begindagen van de Verenigde Staten, toen de opstellers van de Onafhankelijkheidsverklaring naar een manier zochten om de achterstelling en uitbuiting van Afrikaanse slaven te rechtvaardigen. Dat vonden ze in het concept ras, wat zo gezien dus niet meer is dan een sociaal construct. De gevolgen waren echter verstrekkend: na de afschaffing van de slavernij in 1865 kwamen er nieuwe vormen van raciale uitsluiting en zo gaat het tot op de dag van vandaag door.
Hoe bekend dit relaas ook mag zijn, als DiAngelo het in een groep blanke mensen concretiseert, stuit ze geheid op defensieve reacties. Deze „witte gevoeligheid” is het springende punt in haar boek. „Hoe kom je erbij dat ik bij racisme betrokken zou zijn?”, krijgt DiAngelo in allerlei toonaarden te horen. Haar toehoorders brengen in stelling dat ze in gemengde wijken zijn opgegroeid, ontwikkelingswerk hebben gedaan in Afrika of in de jaren zestig participeerden in de burgerrechtenbeweging
DiAngelo is er allemaal niet van onder de indruk. Raciale vooroordelen zijn volgens haar namelijk grotendeels onbewust. Het is „simplistisch” om bij racisme vooral te denken aan doelbewuste handelingen van rassendiscriminatie door immorele lieden. Ze wijst nieuwe, subtielere, vormen van racisme aan, die juist ook bij „goedbedoelende mensen” voorkomen. Een voorbeeld is het vermijden van raciale taal om hetzelfde toch te zeggen in „gecodeerde” termen. Zwarte wijken heten dan „urban” of „kansarm” en witte wijken „goede wijken.” Maar de tegenstelling blijft hetzelfde: fout-goed.
Meer nog dan een gebeurtenis of incident is racisme bij DiAngelo een structuur: de hele Amerikaanse samenleving is erop gestoeld. Ter illustratie toont ze met lijstjes aan hoe moeilijk mensen van kleur doordringen in hogere posities in de maatschappij, waarbij mensen als Barack Obama als uitzondering op de regel gelden.
Het doet er daarom niet zoveel toe als individuen willen bewijzen dat ze wél ‘goed’ zijn. Blanke mensen zouden volgens DiAngelo de „ideologie” van het individualisme moeten loslaten en in moeten zien dat ze onderdeel zijn van een groep. Individuen kunnen wel tegen racisme zijn, maar „ze profiteren evengoed van een systeem dat witten als groep bevoordeeld.”
De witte bevolking van Amerika ervaart veel voordelen als vanzelfsprekend, die het allerminst zijn. Ook blanke mensen kunnen tegen allerlei obstakels aanlopen vanwege afkomst, religie of anderszins. Maar ze krijgen in de Verenigde Staten hoe dan ook níet te maken met de specifieke obstakels van racisme.
Herkenning
Het boek van DiAngelo is geschreven vanuit de sterk gepolariseerde Amerikaanse context. Voor een Nederlandse lezer is lang niet alles herkenbaar. Dat hoeft ook niet om het te lezen als een kennismaking met (anti-)raciaal denken in de Verenigde Staten. Het genre antiracismeboeken is uitgebreid en geschakeerd. DiAngelo staat in dat veld voor een tamelijk radicale manier van kijken naar de problematiek, stevig op de linkerflank.
”White Fragility” valt ook op een confronterender manier te lezen, vanuit het besef dat racisme een grensoverschrijdend probleem is. Bepaalde patronen die DiAngelo beschrijft zullen herkenning oproepen.
Een alledaags voorbeeld. Een moeder loopt met haar kind in een volle winkel als die ineens luidkeels roept: „Hé, een zwarte man!” De moeder wordt rood, legt snel een vinger op de mond en doet: „Ssst!” Het kind leert daarmee twee dingen, doceert DiAngelo. Eén dat het taboe is om openlijk over ras te praten. Twee dat het moet doen alsof hij „onaantrekkelijke aspecten” van mensen niet opmerkt. Waarmee dus gezegd is dat ”zwart” daaronder valt.
Op allerlei manieren krijgen kinderen zodoende al vroeg het beeld mee dat ”wit” voor iets positief staat en ”zwart” voor iets negatiefs. Je hoeft niet in Amerika te wonen om op zo’n punt bewustwording te ontwikkelen.
Met welke bril je ook leest – er is wel een zekere lenigheid van geest nodig om DiAngelo overal te volgen. Wie er bijvoorbeeld eenmaal van overtuigd is dat blanke mensen zich moeten leren zien als onderdeel van een bredere, witte gemeenschap, moet dit later zien te rijmen met het gegeven dat dit níet voor mensen van kleur geldt. DiAngelo schrijft: „Voor witte mensen is praten over ras en racisme in algemene termen (zoals de term ”witte mensen” op zich) constructief omdat het het individualisme doorbreekt. Maar voor mensen van kleur versterkt die raciale generalisatie juist een problematisch aspect van hun leven, namelijk de continue focus op hun groepsidentiteit.”
Het kan, maar het maakt haar kritiek op het „witte individualisme” er niet overtuigender op.
Wittevrouwentranen
Melissa Harris-Perry, een zwarte politicologe, heeft de Amerikaanse samenleving ooit omschreven als een ”crooked room”, een ruimte waarin alles met opzet schuin is gemaakt. Het is daardoor onduidelijk wat recht is en wat scheef is. Mensen die denken rechtop te staan, staan feitelijk scheef. Schrijvers als DiAngelo kunnen helpen daar de ogen voor te openen.
Maar wat dan? Valt de kamer nog rechtop te zetten? De indruk die DiAngelo achterlaat is dat de boel nog eindeloos lang scheef blijft staan. Ze schudt hard aan het wereldbeeld van haar lezers, maar komt maar mondjesmaat met oplossingen. Is het lezen van haar boek dan niet vooral een boetedoening die lezers het gevoel moet geven dat zíj er in ieder geval alles aan hebben gedaan niet racistisch te zijn?
Gemakkelijk treedt er bij lezing van ”White Fragility” een zekere vermoeidheid op. Racisme is bij DiAngelo een eigenschap die als een soort erfzonde aan de blanke huidskleur kleeft. Elke tegenwerping of nuancering bevestigt bovendien DiAngelo’s gelijk, want is een uiting van witte gevoeligheid. De enige weg die rest is die van instemming en inkeer. Het is een haast religieus patroon, maar dan zonder echte uitweg.
DiAngelo schrijft dat het haar om bewustwording gaat. En ja, ze voelt zich vervolgens verantwoordelijk voor de rol die ze speelt in een maatschappij „die is gebouwd op racisme.” En haar lezers zouden die verantwoordelijkheid ook moeten voelen. Beetje bij beetje kunnen ze vooruitgang boeken, maar vrij van racistische smetten zullen ze nooit zijn.
Daarvoor zijn individuen in hun gedragingen bij DiAngelo te veel gevangenen van groepsverbondenheid. Het luistert daarbij nauw. Huilen blanke vrouwen in aanwezigheid van gekleurde vrouwen om een racistisch incident? Foute „wittevrouwentranen”, oordeelt DiAngelo. De tranen zouden bij vrouwen met kleur namelijk associaties oproepen met het gehuil van witte vrouwen in het verleden, waarop vaak een aframmeling van een zwarte knecht of slaaf volgde.
Al te vriendelijk gedrag kan bij DiAngelo ook een vorm van racisme zijn. „We voelen ons aangetrokken tot degenen die in onze aanwezigheid de ogen neerslaan, degenen die we met onze overvloed en goedheid kunnen ‘redden’ van de ellende van hun zwarte leven”, schrijft DiAngelo. Het is niet moeilijk daar een voorstelling bij te maken. Maar wie bepaalt uiteindelijk of er sprake is van neerbuigendheid of van oprechte betrokkenheid?
In DiAngelo’s gevolgenethiek tellen niet de goede bedoelingen van iemand, maar het effect dat zijn daden sorteren. Al lezende komt echter onwillekeurig de vraag op of het meewegen van intenties niet de broodnodige lucht zou kunnen scheppen. De indruk die nu achterblijft is dat alledaags sociaal verkeer tussen blanke- en gekleurde mensen nauwelijks zonder kramp kan verlopen.
Infantilisering
De kritiek van de zwarte taalwetenschapper John McWhorter op DiAngelo’s werk raakt hieraan. „Er zijn maar weinig boeken over ras die zwarte mensen openlijker infantiliseren dan dit zogenaamd gezaghebbende boek”, schreef hij in een ongemeen fel stuk in The Atlantic. „Ik hoef niet te leren hoe buitengewoon gevoelig ik ben.”
De aanwijzingen die DiAngelo geeft voor de omgang met de zwarte bevolkingsgroep noemt hij „diep neerbuigend voor alle trotse, zwarte mensen.” McWhorter schrijft dat hij zich als kind van de jaren zestig uitstekend heeft kunnen ontwikkelen. En hij is niet de enige van zijn generatie, onderstreept hij.
En zo krijgt DiAngelo zelf de kritiek racistisch te zijn, alle goede bedoelingen(!) ten spijt. Beter valt de complexiteit van de discussie in de Verenigde Staten nauwelijks weer te geven.
Razend populair, maar werkt het ook?
The New York Times Magazine schreef in juli een lang artikel over de vraag wat de razend populaire trainingen van DiAngelo in de praktijk uitwerken. De teneur was niet onverdeeld positief: trainingen van een halve dag veranderen in de regel nu eenmaal geen diep ingesleten patronen.
Het artikel maakte tegelijk duidelijk welke consequenties DiAngelo’s visie in de praktijk kan hebben, zoals rond onderwijs. Het belang dat het westerse onderwijs hecht aan onder meer het geschreven woord, perfectionisme en objectiviteit doet DiAngelo af als typisch ‘wit’. Iemand die zijn beste krachten heeft gegeven om kinderen uit sociaal zwakke, zwarte gezinnen goed onderwijs te geven, diende in feite dus slechts „witte waarden” en handelde daarmee in DiAngelo’s denken feitelijk racistisch.
Ze laat zich in hetzelfde artikel ontvallen dat het kapitalisme vervlochten is met racisme. Want als winst het belangrijkste is, dan doet gelijkheid er niet toe. Het is kritiek die ook klinkt bij andere antiracismedenkers als Ibrahim X Kendi. „Kapitalisme is ten diepste racistisch; racisme is ten diepste kapitalistisch”, schrijft hij. De discussie rond racisme raakt daarmee fundamenteel aan een algehele visie op de maatschappij en wordt daarmee ook uiterst politiek.
Boekgegevens
Mede n.a.v. Witte gevoeligheid, Robin DiAngelo; uitg. De Geus, Amsterdam, 232 blz.; € 15,-