Hard werken om de botter op koers te houden
„Een, twee, ja! Een, twee ja! Een, twee, ja!” Bij iedere ruk komt er meer touw de Elburger botter in. Nog één keer spant het koppel zijn spieren aan en daar verschijnt het zwaard boven de reling. Klus geklaard.

Kapitein Jan Spaans (68) zit aan het roer van de EB29 en kijkt vanonder zijn pet glimlachend naar de landrotten –onder wie vijf tienerjongens– die deze middag bij hem aan boord zijn en een handje helpen. Zijn kalmte past bij het rustige gangetje waarmee we over het Drontermeer zeilen.
Niet iedereen op het water heeft dezelfde kalmte. Twee vrouwen –middelbare leeftijd, in badpak– varen in een rubberbootje met buitenboordmotor de havenkom in en krijgen het Spaans benauwd als onze schipper zijn grote zeilschip hun kant op stuurt. De EB 29 imponeert met zijn bijna 13 meter lengte en ruim 4 meter breedte.
Spaans is eraan gewend dat alle ogen van de mensen op de kant naar het monumentale schip dwalen. Een fotograferende toerist meer of minder valt hem niet op. Bij vertrek vraagt hij alle schepelingen op het middendek plaats te nemen. Bij het roer op het achterdek heeft hij nu even alle ruimte nodig. En als we op het voordek zouden staan, hinderen we zijn zicht.
Jan Spaans is als ervaren zeiler in zijn element als hij met het water en de wind kan spelen
Zodra we het randmeer bereiken, geeft Spaans opdracht de zeilen te hijsen. Met een motor varen, moet je zo min mogelijk doen, meent hij. De ervaren zeiler is in zijn element als hij met het water en de wind kan spelen. En daarom is hij een paar dagen per week vrijwilliger bij de Stichting tot Behoud van Elburger Botters.
Sturen
Als de EB29 de wind in het grote zeil heeft, duiken de jongens in het vooronder om te ontdekken waar de vissers vroeger hun potje eten kookten en sliepen. Als de jongens horen dat ze zelf om de beurt aan het roer mogen staan, komen ze weer aan dek.
Manuel (12) is de eerste vrijwilliger. „Weet je welke kant je op moet sturen?” vraagt de schipper hem. Dat weet Manuel nog van een tochtje met een fluisterboot in Giethoorn. „Maar ik zie niet waar we heen varen”, klinkt het, als hij het voorbeeld van de schipper volgt en naast het roer gaat zitten. „Als je gaat staan, zie je meer”, suggereert Spaans.
Meer jongens proberen hun stuurkunst. „Een boei op de kop”, meldt Reinout (14). „Daar moeten we niet overheen”, reageert Spaans droog en hij geeft rustig aanwijzingen. „Mag ik ook even?” vraagt Lars (12) en ook hij geniet van het gevoel dat het ruim honderd jaar oude vissersschip naar hem luistert.

Wout (12) kijkt naar dit schip met de ”Broederband”-serie van John Flanagan in zijn achterhoofd. Daarin speelt zeiler Hal de hoofdrol. „Is er ook een stormzeil?” wil Wout weten. Nee, dus, bij storm verkorten ze het zeil. „En is dit een zwaard?” Ja, dus. Het is tijd om er een te hijsen, want we zijn net van koers veranderd en nu moet het boegboordzwaard uit het water en het bakboordzwaard erin. Met vereende kracht trekken de jongens aan het touw. Na vier keer trekken verschijnt het zwaard boven de reling.
Spaans licht toe: „De zwaarden hebben we nodig om op koers te blijven. Dit schip heeft geen kiel. Botters zijn platbodems. Het is misschien moeilijk voor te stellen, maar we drijven nu op het voorste en op het achterste stuk.” Het bewijs daarvoor wordt geleverd door de bun midden op het middendek, de bak waar vissers de vis in bewaarden. Het water in de bun staat tientallen centimeters hoog, merkt Manuel als de klep eraf is en hij er een bezemsteel in steekt. De vis bleef er vers door de open verbinding met het vaarwater.
Kameleon
Verder dan het Drontermeer komen we deze middag niet. Het voordeel daarvan is dat de kans om zeeziek te worden vrijwel nihil is. Wie verder wil komen, kan een langere tocht boeken. Daar hangt uiteraard een prijskaartje aan. De botters moeten worden onderhouden en per tocht zijn er altijd een schipper en een opstapper aanwezig. Voor een tocht van anderhalf uur betaal je 190 euro. Daarvoor mag je met twaalf man aan boord komen. Voor dat geld help je dan ook gelijk de geschiedenis van de botter levend te houden.
Die geschiedenis, hoeveel is er daarvan blijven hangen bij de jongens? Ik durf de proef niet op de som te nemen. Ze zullen weten dat we op een oude vissersboot varen en dat de vissers botvis, paling, haring en ansjovis vingen. En nee, geen gebakken kibbeling. Maar over de Zuiderzee en het prinsenschilderwerk dat als teken van verzet rood, wit en blauw van kleur is, zal ik ze niet bevragen.
De jongens hebben vooral oog voor de aangemeerde motorboten waar we tussendoor varen als we bijna weer in de havenkom zijn. „Hé, kijk, de Kameleon.” „Zo, die is groot.” Geurt (13) en Lars vinden het een sport om zo veel mogelijk mensen op chique jachten aan het zwaaien te krijgen. Het gaat ze goed af. Vooraf maken ze een inschatting: „Doet-ie het of doet-ie het niet?”
Saillant detail: zodra wij in ons imposante schip de havenkom binnenvaren, spoeden de vrouwen in rubberboot de haven uit. Hebben ze ons zien aankomen en maken ze zich daarom zo snel mogelijk uit de voeten? Ik vind het niet meer dan terecht. Voor zo’n monumentaal schip als de EB29 moet iedereen toch gewoon ruim baan maken?
__