Alleen Amersfoort heeft nog een kapittel
In Nederland waren er in de vijftiende eeuw 43 kapittels. Deze gemeenschappen van kanunniken hadden als belangrijkste taak het verzorgen van de acht dagelijkse getijdenvieringen. Nog maar één kapittel is er over: in Amersfoort. Dat heeft sinds de Reformatie geen religieuze functie meer, maar draagt nog altijd –in bescheiden mate– bij aan de instandhouding van de Sint-Joriskerk.

Het moet prachtig hebben geklonken, veronderstelt Fred van Kan. „Zeker als andere priesters en leerlingen van de Latijnse school in het koor van de Sint-Joriskerk de gezangen meezongen met de tien kanunniken van het Capittel van Sint-Joris. Bij sommige getijdenvieringen waren er wel veertig zangers.”
Van Kan, directeur van het Gelders Archief in Arnhem, bestudeerde de afgelopen jaren de geschiedenis van het kapittel in zijn woonplaats Amersfoort, van de oprichting in 1337 tot op heden. In het boek dat hij erover schreef, besteedt hij zowel aandacht aan de organisatorische en financiële aspecten als aan het leven van de kanunniken en de betekenis van het kapittel voor de stad.
„Nu is dat niet meer zo goed voor te stellen”, zegt de historicus, „maar zo’n kapittel vergrootte in de middeleeuwen het stedelijk prestige. Acht keer per dag werd er in de Sint-Joriskerk gezongen en gebeden. Natuurlijk om God daarmee te eren, maar het kapittel was ook een statussymbool, tot meerdere eer en glorie van de stad. Tegenwoordig wil een stad graag mooie concerten en evenementen. In de middeleeuwen waren de religieuze vieringen van de kapittels daarmee te vergelijken. De getijden bestreken het grootste deel van de dag.”
De Utrechtse bisschop en landsheer Joannes van Diest stichtte het Amersfoortse kapittel op verzoek van de burgerij. „Het was organisatorisch en financieel zelfstandig. Het vermogen, nodig voor het levensonderhoud van de kanunniken, kwam van de gemeente en welgestelde burgers”, aldus Van Kan.
Gedurende tweeënhalve eeuw verzorgden tien kanunniken de dagelijkse gebedstijden, baden zij voor de zielen van de overledenen en leverden zij de pastoor die de zielszorg in Amersfoort uitoefende. De kanunniken hadden een sleutelrol in het plaatselijke religieuze leven, zowel door hun taken binnen de kerk als door de rechten die zij in de stad bezaten. Stichters van kapellen en kloosters bijvoorbeeld, hadden hun instemming nodig.
Kerkelijk instituut
Aan het kapittel als kerkelijk instituut kwam een abrupt einde toen in 1579 in Amersfoort de Reformatie werd doorgevoerd. Van Kan: „Het kapittel bleef echter intact als instelling met een aanzienlijk vermogen en de opbrengst ervan was nog altijd voor de kanunniken bestemd. Zijn religieuze rol was echter uitgespeeld.”
Het voortbestaan van het Amersfoortse kapittel kan onder meer worden verklaard uit de concessies die de kanunniken deden: ze waren genegen verantwoording af te leggen van hun financiële beheer en bovendien mochten de stadsbestuurders bij overlijden van een kanunnik in de vacature voorzien. „De nieuwe kanunniken kwamen uit de protestantse stedelijke elite. Die vond dat mooi. Waarom zou ze het kapittel opheffen als ze de opbrengsten zelf kon gebruiken? Aanvankelijk werden er studies mee betaald. In de archiefstukken lees ik echter ook van een kanunnik die op hoge leeftijd overleed en aldoor geld had geïnd. Het zogeheten canonicaat dat hij bezat, was voor hem een leuk zakcentje geweest.”
Geleidelijk aan kwamen de canonicaten, mede als gevolg van toezeggingen van het stadsbestuur, in handen van de Sint-Joriskerk en de armenzorg. In 1620 was het kapittel al gedwongen een derde te betalen van de kosten die waren gemoeid met het herstel van het orgel in de kerk.
Het kapittel overleefde ook Napoleon, zo beschrijft Van Kan. „De Franse keizer besloot in 1811 dat de zogenoemde geestelijke goederen aan de staat moesten vervallen. Dat betekende onder meer de opheffing van grote kapittels in Utrecht en de daar gevestigde Duitse Orde. Het Capittel van Sint-Joris ontsprong de dans. De rentmeester bleef in stilte de opbrengsten van het vermogen innen en belegde die vervolgens. De kanunniken vergaderden niet langer en uitkeren deed de rentmeester nog nauwelijks. Pas in 1851 werden de betalingen hervat.”
Een jaar later blies toenmalig burgemeester Wijers als deken (voorzitter) het kapittelbestuur nieuw leven in. Er traden nieuwe kanunniken aan. Van de opbrengsten van het vermogen gaat sindsdien jaarlijks twee vijfde naar het onderhoud van de Sint-Joriskerk. Drie vijfde is bestemd voor het Burgerweeshuis. Sinds 1988 is het kapittel een stichting. Er zijn vijf bestuursleden: twee kanunniken hebben zitting namens Stichting Het Burgerweeshuis en twee namens het college van kerkrentmeesters van de protestantse gemeente. Deken is de burgemeester van Amersfoort.
Effecten
Het vermogen van het Capittel van Sint-Joris bestaat voornamelijk uit gelden die belegd zijn in effecten. Daarnaast verpacht het kapittel ruim 7 hectare gras- en akkerland onder Hoogland en Bunschoten. Oorspronkelijk bezat het ook veel huizen in de stad, maar die eigendommen werden in de voorbije eeuwen van de hand gedaan. Van Kan: „Ze leverden steeds minder op, omdat in de middeleeuwen voor de afdrachten een vast bedrag was bepaald. Met alle inflatie stelde dat op den duur weinig voor. In de twintigste eeuw ging het nog maar om een paar dubbeltjes of kwartjes. De laatste huisrenten werden in 1952 afgekocht. Toen was men zich er allang niet meer van bewust dat het eigenlijk om huurbedragen ging.”
Over 2017 ontving het Burgerweeshuis 4045 euro, de protestantse gemeente 2697 euro. „Voor de Joriskerk is dat op de hele begroting een klein bedrag, maar het Burgerweeshuis kan er leuke dingen mee doen, voor vluchtelingen die in Amersfoort zijn komen wonen of voor gezinnen die het niet breed hebben. Voor hen betekent een paar honderd euro een mooi extraatje.”
Van Kan, betrokken parochiaan in de Amersfoortse geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius, schreef zijn boek op verzoek van het kapittelbestuur. „Veel archiefstukken kende ik al. Toen ik archivaris en directeur van het Archief Eemland was, heb ik het kapittelarchief zelf op orde gebracht.” Ook elders vond de historicus interessante documenten. „Zo liggen er in de archieven van het Vaticaan brieven waarin de paus nieuwe kanunniken voor kapittels voordroeg. Niet altijd had dat pauselijke ingrijpen effect. Het stadsbestuur van Amersfoort bleek machtig genoeg om een aantal van die benoemingen niet door te laten gaan. De paus zat toch ver weg in Rome…”
Het Capittel van Sint-Joris te Amersfoort, Fred van Kan; uitg. Verloren; 232 blz.; € 25,-.