Meditatie: Híj wast de voeten
„Jezus stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelf.”
Johannes 13:4
De Heere, Die wist dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, openbaart hier Zijn ganse heerlijkheid, niet dáárin dat Hij Zich door Zijn discipelen laat huldigen of aanbidden, niet dáárin dat Hij hun gelast als Zijn dienstknechten Hem de voeten te wassen; maar dáárin dat Hij hun de voeten wast. Hij, van Wie wij betuigen dat Hij zonde, dood, duivel, leven en genade, ja alles in handen heeft. Hij, van Wie geschreven staat „dat alle engelen Gods Hem moeten aanbidden”. Hij, tot Wie gezegd is: „Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.” Hij staat op van het avondmaal, legt Zijn klederen af, neemt een linnen doek en omgordt Zichzelf, als een slaaf, giet water in het bekken, begint de voeten van de discipelen te wassen, en droogt ze af met de linnen doek waarmee Hij omgord was.
En zo komt dan ook de beurt aan Simon Petrus. Dat is te veel voor deze discipel, die eens bij een rijke visvangst die hem op het woord van de Heere ten deel was gevallen, gezegd had: „Heere! Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.” „Heere!” zegt hij, „zult Gij mij de voeten wassen?”
_H.F. Kohlbrugge,
predikant te Elberfeld
(”Lijdensstoffen”, 1849)_