Onderwijs oneens over geldstromen naar scholen
Belanghebbenden in het onderwijs zijn het oneens over de toekomstige financieringswijze van het basis- en voortgezet onderwijs.
Dat bleek donderdag in de Tweede Kamer tijdens een rondetafelgesprek.
Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland (BON) stelde dat de huidige manier van financieren via de lumpsumregeling (waarbij scholenbesturen een zak geld krijgen voor het onderwijs en het personeel) achterhaald is. „Die kwam voort uit een neoliberale filosofie die is mislukt”, zo betoogde hij.
Verbrugge vindt dat overheidsgeld rechtstreeks naar de schoollocatie moet en niet naar de besturen. Dan krijgen leerkrachten meer zeggenschap bij de besteding van de middelen.
Marja Creemers, die sprak namens de beroepsorganisatie voor schoolleiders in het primair onderwijs, zei dat ze niet gelooft in structuurveranderingen. Zij pleitte voor een duidelijker plaats van schoolleiders in het onderwijsproces.
Henk Hagoort van de VO-raad, de belangenorganisatie van het voortgezet onderwijs, oordeelde dat geen enkel sturingsmodel het beste is. Hij zei dat het erom gaat dat de politiek het gekozen model zo goed mogelijk laat functioneren. „Het samenspel tussen overheid, bestuurders en leraren is doorslaggevend.”
Jasmijn Kester, een schoolbestuurder van 52 scholen in de regio Rotterdam, vindt dat leraren de eerstaangewezenen zijn om de onderwijskwaliteit te verbeteren. De overheid kan hen daarbij helpen door een duidelijke, langjarige visie op het onderwijs te formuleren en duidelijke onderwijsdoelen vast te stellen.
De Tweede Kamer debatteert over vier weken met staatssecretaris Paul over de toekomstige financieringswijze van het basis- en voortgezet onderwijs. De bewindsvrouw is voorstander van meer overheidsinvloed en sturing in het basis- en voortgezet onderwijs.