Mensbeeld van Darwin en aanverwanten is niet meer dan een spiegelvertelling van Icarus
Er zijn mensen die dierentuinen maar zoo-zoo vinden. Ze beklagen de dobberende dwergnijlpaarden, de duttende jaguars, de drentelende dingo’s die zich gelaten door het kadetjes knabbelend publiek laten bekooswoorden en al hun jachtinstinct op de zandvlaktes van Australië lijken te hebben achtergelaten.

Waar is de woeste wildheid van de wisenten gebleven, de ruige majesteit van de rinoceros? Achter de tralies vormen zelfs de Tasmaanse duivels maar een dociel kliekje. „Ze zouden jóú ’ns in zo’n kooitje moeten zetten…” is dan ook het veelgehoorde commentaar.
Wat betekent het precies om mens te zijn?
In de roman ”Een man in de dierentuin” van de Britse schrijver David Garnett besluit een jongeman zich na een ruzie met zijn vriendin daadwerkelijk op te sluiten in een verblijf in de London Zoo. Zijn actie blijkt onverwacht een groot succes. Van heinde en verre stromen de bezoekers toe om de man, die ze op straat gedachteloos voorbij zouden zijn gelopen, achter de tralies gade te slaan. Zijn daad roept vragen op waar de wetenschap al eeuwen mee worstelt. Wat onderscheidt ons daadwerkelijk van de dieren? Wat betekent het precies om mens te zijn?
Ten tijde van de verlichting, zo’n slordige 300 jaar geleden, was het mensbeeld tot duizelingwekkende toppen gestegen. De homo sapiens was onbeperkt in zijn mogelijkheden, zo meende men. Hij was het brandpunt van de schepping, waarin al het licht van boven samenviel. Des te opmerkelijker is het dat een maatschappij die het ene moment van de man een god maakte, hem een eeuw later tot een aap degradeerde.
Het mensbeeld van Darwin en aanverwanten is niet meer dan een spiegelvertelling van Icarus’ val: de vrijbuiter die zichzelf vleugels aanmat, maar onder zijn veren niet meer dan een hulpeloos hoopje mens bleek te zijn. Net als de wolf, de goudvis en de lama is ook de ooit zo vogelvrije mensheid gedomesticeerd en aan banden gelegd. De zoo is voor de evolutionist het eindpunt van het individu: gekooid door de wetenschap, geschaard in de rij van het beestenspel.
Toch blijkt het ook met een darwinistische levensvisie in opmerkelijk veel gevallen not done __ om mens en dier aan elkaar gelijk te stellen. De ‘mensentuinen’ van weleer, waarin Afrikaanse volksstammen tentoongesteld werden om de westerse wereld hun vermeende barbaarse gebruiken te tonen, worden vandaag de dag alom verketterd en verguisd. Toen afgelopen januari een uit de koers geraakte parachutist per ongeluk in het apenverblijf van Ouwehands Dierenpark belandde, gingen beelden van zijn onfortuinlijk lot de hele wereld over. Tot in Qatar en Canberra toe verbaasden krantenlezers zich over de foto van de eenzame figuur achter de beslagen glaswand, die ietwat verdwaasd met zijn telefoon in zijn hand even Apeldoorn stond te bellen.
Een man in een apenkooi is –ook na miljoenen jaren van vermeende evolutie– nog altijd even lachwekkend als een orang-oetan in een kantoortuin. Precies daaruit, zegt de theoloog Chesterton, blijkt wat ons van de dieren onderscheidt: niet het feit dat we zo op hen lijken is verwonderlijk, maar dat we ondanks alle overeenkomsten zó van hen verschillen.
We hoeven ons niet met was en veren te vermommen om onszelf tot hemelzonen te kronen. Het was de hemel zelf die op aarde kwam en ons eigenhandig uit de klei tevoorschijn riep. Niet het einde, maar de oorsprong van de mens ligt in een hof vol beesten. Tussen de tijgers en de tamarins wandelde een wezen zoals er nog nooit een op aarde verschenen was: levend in volmaakte harmonie met zijn omgeving, maar zo geheel anders dat er geen enkele vergissing over zijn oorsprong kon bestaan. Een mán in de dierentuin, dat was het wonder van de schepping – niet het onverbiddelijke eindpunt, maar waar het allemaal begon.
Sarah van der Maas (1995) studeerde algemene en sociale geschiedenis in Leiden en Groningen. Verhalen vertellen is haar passie: of die zich nu afspelen in een ver en vreemd verleden of om de hoek van de straat.