Elias Balt onderzoekt reden zelfdoding: Rol van sociale media heel opmerkelijk
Hoe voorkom je suïcide? Elias Balt ziet mogelijkheden door zo veel mogelijk informatie te verzamelen. Van nabestaanden, uit afscheidsbrieven of uit medische dossiers.

Gemiddeld overlijden er iedere dag in Nederland vijf mensen door suïcide. Elias Balt van 113 Zelfmoordpreventie onderzocht of psychosociale autopsie zelfdoding kan voorkomen. Deze vrijdag promoveert hij aan de Vrije Universiteit Amsterdam op het onderwerp.
Wat is psychosociale autopsie?
„Het is een vorm van onderzoek naar suïcide waarbij je probeert zoveel mogelijk kennis en informatie te verzamelen over de zelfdoding die heeft plaatsgevonden. Daarbij speelt informatie van nabestaanden een centrale rol, waar mogelijk aangevuld met bijvoorbeeld afscheidsbrieven en medische dossiers.”

Wat is het doel ervan?
„Psychosociale autopsie kan een aanvullende kennisbron bieden over zelfdoding. We hebben al een goed beeld van wie er overlijden aan suïcide, maar hierdoor kunnen we meer inzicht krijgen in onvervulde zorgbehoeften en op zoek gaan naar aanknopingspunten voor preventie.
Het is bijvoorbeeld uit data bekend dat een stoornis in het autistisch spectrum een risicofactor is voor suïcide. Maar door psychosociale autopsies weten we nu meer: dat jongeren met autisme die overlijden door zelfdoding vaak middelen gaan gebruiken en dat ze extra moeite hebben met de overgang naar een nieuwe levensfase, bijvoorbeeld van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Door dit soort kennis kunnen we gepaste preventie op het juiste moment inzetten, zodat deze jongeren stabieler in een volgende fase terechtkomen.”
Hoe gaat zo’n psychosociale autopsie in zijn werk?
„We nodigen mensen die iemand zijn verloren door zelfdoding uit een vragenlijst in te vullen. Inmiddels is dat al zo’n 900 keer gebeurd. Zo’n 200 vragen over heel uiteenlopende thema’s komen aan bod. Was de overledene een lhbti-persoon? Had hij schulden? Was hij in de tijd voor de suïcide uitgevallen op het werk?
Die vragenlijsten hebben we zo objectief mogelijk gemaakt; vaak gaat het om ja-neevragen. Een deel van de nabestaanden hebben we ook uitgenodigd voor interviews, die nog een spade dieper gaan dan zo’n vragenlijst.”
Mensen die overlijden door zelfdoding zijn vaak eenzaam. Hebben ze wel mensen in hun netwerk die dit soort zaken van hen weten?
„Inderdaad, uit onderzoek blijkt dat 83 procent van de mensen die door suïcide overlijdt zich eenzaam voelt, tegenover 49 procent van de hele bevolking. Eenzaamheid is dus een enorm thema.
Tegelijkertijd functioneerden de meeste mensen die zijn overleden door zelfdoding wel gewoon in een gezin, of hadden ze vrienden. Je kunt ook eenzaam zijn terwijl je wel mensen om je heen hebt.”
Willen nabestaanden meewerken?
„We merken dat veel mensen het heel fijn vinden om hun verhaal te kunnen doen. Sommigen vullen de vragenlijst zelfs al een paar dagen na het overlijden in. Dat raden we niet af, wel houden we de interviews pas als er minimaal vier maanden zijn verstreken sinds de zelfdoding. Want zo’n interview is pittig. Je hebt een gesprek van zeker een uur of drie over de overledene.”
Hoe zorg je ervoor dat nabestaanden geen dingen invullen over de overledene die misschien niet stroken met de werkelijkheid?
„We kunnen inderdaad de overledene zelf niet meer spreken en we zullen nooit weten wat zich precies in zijn hoofd afspeelde. Daarom houden we de vragen zo feitelijk mogelijk.
De kracht van onze aanpak zit niet in het reconstrueren van de processen in iemands hoofd. We willen geen diagnoses na het overlijden stellen op basis van gedrag dat nabestaanden beschrijven.”
Welke interessante bevindingen hebt u gehaald uit de interviews?
„Ik heb zelf onder meer onderzoek gedaan naar 35 jongeren onder de 20 jaar oud die overleden door suïcide. Bij jongens blijkt een zelfdoding drie keer zo vaak als bij meiden uit het niets te gebeuren. Veel jongens gaven vooraf geen signalen af en liepen niet bij de ggz.
Wel maakten ze soms macabere grappen. Een moeder vroeg bijvoorbeeld voor ze naar de supermarkt ging of ze nog iets kon kopen voor haar zoon. Die antwoordde: „Neem maar een touw voor me mee”. Het is heel pijnlijk om achteraf te beseffen dat er toch een seintje zat in het grapje.
De les hieruit: juist bij jongens is het belangrijk om concreet te vragen of ze worstelen met suïcidale gedachten.
Ik vind ook de rol van sociale media heel opmerkelijk. Vooral meiden gaan online op zoek naar lotgenoten, naar mensen die bijvoorbeeld ook depressief zijn. Ze ontwikkelen een netwerk en de psychische klachten worden heel belangrijk voor hun identiteit. Door de algoritmes zien ze op sociale media ook al snel niets anders meer dan andere depressieve jongeren. Die dynamiek is al wel beschreven bij eetproblemen en verslaving, maar nog niet zo specifiek bij suïcidaliteit.
Een goede vriendin van een overleden meisje verwoordde het heel mooi: haar vriendin vroeg zich toen ze nog leefde af wie ze nog was buiten haar depressieve gedachten om. Zo’n signaal heeft belangrijke implicaties voor personeel in ggz-klinieken. Het laat zien dat je aan jongeren duidelijk moet maken dat ze ook na hun herstel aansluiting kunnen vinden bij andere jongeren. En dat er voor meiden rolmodellen zouden moeten zijn van mensen die wél hersteld zijn, en die laten zien dat het goed kan komen.”
Denkt u aan zelfdoding? Praat erover. Neem gratis en anoniem contact op met Stichting 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of 113 (24 uur bereikbaar) of chat op 113.nl.